Het Katholieke geloof - uitgelegd aan protestanten: Het gescheiden zitten van mannen en vrouwen in de kerk mannen christelijke louboutin

Het Katholieke geloof - uitgelegd aan protestanten

Willibrorduskerk mijn kerkelijk thuis

Willibrorduskerk mijn kerkelijk thuis
  • Home
  • Inhoudsopgave
  • Hoe word ik katholiek?
  • Waar is de Kerk van Christus
  • Spreuken en citaten

donderdag 5 januari 2012

Het gescheiden zitten van mannen en vrouwen in de kerk



Het gescheiden zitten van mannen en vrouwen in de kerk is een zeer oude traditie. Al in de Joodse synagoge waren de mannen van de vrouwen gescheiden, maar ook in de eerste Christelijke gemeente kende men deze gewoonte. Een van de eerste christenen die daarover schreef was Cyril van Jeruzalem, in de vierde eeuw na Christus. Hij heeft gezegd: “Laten de mannen bij de mannen zijn, en de vrouwen bij de vrouwen. Ik wil hierbij het voorbeeld geven van Noach’s ark: Noach ging in de ark met zijn zonen, en zijn huisvrouw met de vrouwen van zijn zonen… Wanneer de Kerk gesloten wordt, en we allemaal binnen zijn, laat er dan scheiding zijn, mannen bij mannen, en vrouwen bij vrouwen…. En zelf wanneer er plaatsen gereserveerd zijn in de buurt van elkaar, laat dan de passie aan de kant gezet worden. Laten de mannen wanneer ze zitten een goed boek nemen, en lezen, terwijl anderen luisteren, en wanneer er geen boek is laat men dan bidden, of laat iemand iets nuttigs spreken. En laat de groep van jonge vrouwen op gelijke wijze bijeen zitten, zachtjes zingende, of lezend, zodat haar lippen bewegen, maar een ander het geluid niet opvangt, want ik verdraag het niet wanneer een vrouw in de kerk spreekt. En laten de getrouwde vrouwen dit voorbeeld navolgen, en bidden; laten haar lippen bewegen, maar haar stem ongehoord blijven, opdat er een Samuël moge komen, en uw onvruchtbare ziel opgewekt wordt tot redding door God die uw gebed hoort; want dat is de betekenis van de naam Samuël (Protocatechesis, 14, NPNF, s. 2, v.7). Hier baseert Cyril zich, wanneer hij spreekt over zwijgen van de vrouwen in de gemeente, natuurlijk op 1 Kor. 14: 33, 34. Het is niet helemaal duidelijk of Cyril een nieuwe praktijk introduceert of dat hij alleen maar oproept om een reeds bestaande traditie niet te negeren. Duidelijk is in ieder geval wel dat het een volledig normale en gebruikelijke praktijk was in de kerken om vrouwen en mannen gescheiden te laten zitten.


Dit gebruik in veel vroegchristelijke kerken is zelfs terug te zien in de architectuur, bijvoorbeeld in die van de Oude Sint-Pietersbasiliek. Voor vrouwen was een balkon beschikbaar, het zogenaamde matroneum. Een matroneum (ook wel matronaeum; meervoud: matronea of matronaea) is een balkon aan de binnenkant van een (kerk)gebouw, waar vrouwen plaats konden nemen. De naam is dan ook afgeleid van het Latijnse woord "matron". In veel vroegchristelijke bouwwerken werd een matroneum gebouwd. Drie voorbeelden zijn de 4e-eeuwse Sint-Laurensbasiliek in Milaan, de Oude Sint-Pietersbasiliek in Rome en de Basiliek van San Vitale in Ravenna.

Deze traditie is door de eeuwen heen in vele tradities, religies en landen bewaard gebleven, ze is bijvoorbeeld terug te vinden bij: (Rooms) Katholieken, Orthodoxen, Amish, Mennonieten, Gereformeerden en Hervormden.
De Katholieken kenden deze regel al vele eeuwen, en ze is zelfs opgenomen in het canonieke recht dat in 1917 is aangenomen:
Can. 1262. § 1. Optandum ut, congruenter antiquae disciplinae, mulieres in ecclesia separatae sint a viris.
§ 2. Viri in ecclesia vel extra ecclesiam, dum sacris ritibus assistunt, nudo capite sint, nisi aliud ferant probati populorum mores aut peculiaria rerum adiuncta; mulieres autem, capite cooperto et modeste vestitae, maxime cum ad mensam Dominicam accedunt .

In de meeste katholieke kerken is nog altijd een duidelijke verwijzing naar het gescheiden zitten van mannen en vrouwen te vinden. Links bevindt zich namelijk het beeld van de H. Maagd, de patroonheilige van vrouwen. Terwijl rechts meestal een mannelijke patroonheilige te zien is, zoals de H. Jozef. Zo kun je als man dan wel als vrouw kijken naar de patroonheilige die past bij jouw mannelijkheid of vrouwelijkheid.

Tot ver in de jaren zestig was het voor Katholieken dan ook volstrekt normaal om gescheiden te zitten in de kerk. Wat de Katholieken betreft hangt deze regel uit het kerkrecht samen met een heel aantal andere artikelen die de positie van de vrouw in de kerk regelen. Alleen mannen mogen een kerkelijk ambt uitoefenen (zoals priester, diaken etc), alleen mannen mogen de communie uitreiken (tegenwoordig alleen in bijzondere gevallen, wanneer verder geen geschikte persoon gevonden kan worden), vrouwen mogen niet als misdienaar dienen, vrouwen moet gesluierd in de kerk zitten zeker tijdens het ontvangen van de communie, vrouwen mogen niet preken in de kerk, heilige zaken zoals de pateen en kelk mogen niet door een vrouw aangeraakt worden tenzij deze eerst door een ambtsdrager gereinigd is en vrouwen mogen de Schrift niet lezen in de Kerk. Het in onbruik raken van deze regels hangt samen met de sterke opkomst van de feminisme en de emancipatie. Afschaffen van de ene regel, leidt vrijwel zeker tot afzwakking, of zelfs afschaffing van de andere regel. Anders gezegd, het dragen van de hoofdbedekking van de vrouw, staat niet los van het gescheiden zitten.

Ook in Gereformeerde en Hervormde kerken was dit een bekende traditie, in het begin van de 19e eeuw ontstond er in de Grote Kerk te Bodegraven gebrek aan ruimte in de mannenbanken, zodat mannen op vrouwenplaatsen gingen zitten. Dit wekte grote beroering. De Kerkenraad besloot wachters aan te stellen om het te voorkomen. Zo groot is blijkbaar de betekenis, die gehecht werd aan het apart zitten van mannen en vrouwen. Niet alleen in Bodegraven, in veel kerken waren de zitplaatsen van de vrouwen en die van de mannen gescheiden. Maar het werd ook gepraktiseerd in de Christelijke Gereformeerde Kerk van Rotterdam die werd gesticht in 1892. Er waren banken voor mannen en vrouwen, kleine kinderen mochten bij de moeders zitten, maar als een jongetje 7 jaar was dan moest hij wel naar de mannenbanken verhuizen. Slechts bij uitzondering werd toegestaan dat zo’n knaap toch bij de moeder zat, maar dan liefst op het uitschuifbankje aan de buitenkant van de bank. Alle banken hadden destijds van die uitschuifjes.

De praktijk van het gemengd zitten van mannen en vrouwen moet afgewezen worden, en wel om de volgende redenen:

- Het gescheiden zitten is in de vroegchristelijke Kerk ingevoerd door de apostelen. Jezus riep zijn apostelen om “Mijn gemeente” te bouwen (Matt. 16) en er wordt ons door Paulus gezegd: “staat vast en houdt de inzettingen, die u geleerd zijn, hetzij door ons woord, hetzij door onzen zendbrief. Daarom moet deze traditie van de apostelen bewaard blijven, een traditie waarover trouwens ook Augustinus geschreven heeft.

- Er ontstaat meer broederschap, de aandacht wordt immers van het eigen gezinnetje afgeleid, en gericht op de andere broeders en zusters.

- Kerkgang voor weduwen, weduwnaars en alleenstaanden is gemakkelijker, omdat ze zich sneller deel voelen van de gemeenschap. Ze voelen zich niet zo snel geïsoleerd, doordat ze niet bij hun eigen familie kunnen zitten.

- De pastoor/dominee kan zicht rechtstreeks richten tot de mannen of de vrouwen.

- Zingen gaat beter, omdat bassen en tonoren bij elkaar zitten, evenals alten en sopranen, is de harmonie groter.

- Minder afleiding tijdens de dienst tussen mannen en vrouwen en verliefdheden tussen ongetrouwde personen, daardoor kan een beter geestelijk klimaat geschapen worden.

Paulus leert ons “hangt het goede aan” (Rom. 12: 9). Deze traditie, dat vrouwen en mannen gescheiden zitten, is gepraktiseerd door de apostelen en heeft reeds vele eeuwen bewezen “goed” te zijn, laten we er daarom nu aan vasthouden, of deze traditie opnieuw invoeren.

3 opmerkingen:

Anoniem zei

Beste Hugo,

Helder stukje. ik heb altijd waardering voor iemand die geheel tegen de tijdgeest in pal gaat staan voor oude waarden. Dat tot ver in de jaren 60 mannen en vrouwen nog gescheiden zaten wens ik te betwijfelen. Ik kan het me niet herinneren. Wij zaten altijd met ons gezin in een bank. Terwijl toen ook nog wel de oude ritus werd gevolgd. Er is zeker iets voor te zeggen dat mannen en vrouwen weer gescheiden gaan zitten maar de wereld van is al zo gericht op het scheiden van mensen en gezinnen. De gelegenheid om nog als "heel" gezin naar de mis te gaan staat al zo onder druk. Liturgisch en kerkhistorisch gezien is het wel mooier en betekenisvol. In onze kerk heb je inderdaad het Maria-altaar links en het Jozef-altaar (heilig gezin-altaar) rechts. Ik zie het helemaal voor me wat schrijft, vrees echter dat het er niet meer van zal komen.

Groet, Paul van Dongen

Anoniem zei

Links-Rechts
Dit onderscheid moet oeroud zijn...
Slecht-Goed
Gehuwden wandelen met de vrouw aan de rechterhand. Bij ongehuwden houdt de man de rechterhand vrij voor God.
In kledij : zie nog altijd de sluiting van jas met knopen...ook inzake ritsen.
Bij Oosterse meditatie : Falun gong : de man legt de linkerhand in de rechter en de vrouwandersom.
In Wellen (Limburg Belgie) stonden de mannen...links. Tenzij bij begrafenis : de mannelijke familie nam dan rechts plaats. Is hier ooit een stil protest-vorm gegroeid ?
Het was een zwaar getroffen Bokkerijdersparochie in 1770 ?

Hugo Bos zei

Bedankt voor deze boeiende aanvullende informatie.
Hugo Bos

Nieuwer bericht Ouder bericht Homepage

mannen christelijke louboutin

安いルブタンの靴
louboutin en oferta
Louboutin Pumpen
louboutin miehet
christian louboutin hæle


Christelijke afscheidsrituelen

Christelijke afscheidsrituelen

Met de dood komt een einde aan iemands leven op aarde. Het is een belangrijk overgangsmoment waar velen zich dikwijls ongewild, maar tegelijk onvermijdelijk, op voorbereiden. Verschillende levensbeschouwingen hebben diverse rituelen en ideeën omtrent de dood. Christenen bijvoorbeeld geloven dat het lichaam vergankelijk is, in tegenstelling tot de ziel die blijft verder bestaan nadat iemand is overleden. 

De ziekenzalving

Lange tijd werd de ziekenzalving, één van de zeven sacramenten, enkel uitgevoerd bij katholieken die op sterven lagen. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie in de tweede helft van de twintigste eeuw wordt de ziekenzalving ook uitgevoerd bij katholieke zieken, zoals oorspronkelijk bedoeld. Er wordt dan chrisma (gewijde olie) aangebracht op het voorhoofd en op de handen van de zieke. Bovendien wordt er aan God gevraagd om de zieke bij te staan in zijn of haar genezingsproces. Vóór de ziekenzalving kan de zieke er eventueel voor kiezen om te biechten, en dus zijn of haar schulden te belijden. Na de ziekenzalving wordt gewoonlijk de communie uitgereikt. Als de zieke toch overlijdt, komt het dikwijls voor dat de regel  “gesterkt door de ziekenzalving” op de doodsbrief vermeld wordt.

Het overlijden

Wanneer een gelovige overlijdt, moet hij of zij verantwoording afleggen aan God voor de daden die hij of zij heeft gesteld gedurende zijn of haar leven. Als de overledene goed en deugdzaam is geweest, komt hij of zij in de hemel terecht. Heeft de overledene daarentegen een zondig leven geleid, dan is hij of zij gedoemd om in de hel te verblijven. De hemel wordt doorgaans voorgesteld als een paradijs waar onder andere rijstpap met gouden lepeltjes wordt gegeten. In de hel daarentegen blijven de zondaars eeuwig branden. Daarom baden katholieken vroeger steevast voor de zielenrust van een overledene. Nabestaanden wilden namelijk voorkomen dat een dierbare in de hel zou terechtkomen. Dikwijls werd hiervoor een rozenkrans of  paternoster gebruikt, omdat die zou beschermen tegen het kwade. In tegenstelling tot katholieken geloven protestanten niet dat gebeden de zielenrust van de overledene kunnen beïnvloeden. De overledene wordt volgens hen uitsluitend beoordeeld op zijn of haar gestelde daden en daar kan geen enkel gebed verandering in brengen.

Na het overlijden

Vroeger stierven mensen in de meeste gevallen thuis en daarom werden ze ook thuis opgebaard. Deuren en ramen werden dan onmiddellijk geopend zodat de geest van de overledene zijn weg naar buiten kon vinden. Erna werden de deuren en ramen van het sterfhuis onmiddellijk opnieuw gesloten zodat de geest niet terug naar binnen kon komen. Bovendien werden alle spiegels afgedekt om te beletten dat de geest van de overledene er zijn intrek zou nemen. Op de ogen van de overledene werden muntstukken geplaatst, niet enkel om er de veerman mee te kunnen betalen, maar ook om te beletten dat de overledene nabestaanden mee de dood in kon trekken via zijn of haar ogen. Deze praktijken zijn echter restanten uit het volksgeloof. Dorpsgenoten namen vroeger steevast gezamenlijk afscheid van de overledene. Tegenwoordig sterven mensen ook heel vaak in het ziekenhuis. Daarom wordt de overledene doorgaans niet meer thuis opgebaard, maar wel in een speciale ruimte in een uitvaartcentrum.

De begrafenisonderneming

Terwijl vroeger alles werd geregeld door familie, vrienden en buren, kunnen familieleden van een overledene tegenwoordig - tegen betaling - een beroep doen op een begrafenisonderneming voor de organisatie van de uitvaartplechtigheid en de begrafenis. Begrafenisondernemers zorgen er voor dat nabestaanden zich niet te veel met praktische zaken moeten bezighouden, zodat ze de tijd kunnen nemen om te rouwen. De taken van begrafenisondernemers zijn zeer uiteenlopend: het presentabel maken van het lichaam, het laten drukken van doodsbrieven, het regelen van de uitvaartplechtigheid zoals de familie het wenst, het inschakelen van kistdragers …

Het opbaren van het lichaam

Nadat een dokter een overlijden heeft vastgesteld, wordt het lichaam zo snel mogelijk naar een funerarium gebracht om het te laten opbaren. Het lichaam wordt zorgvuldig gewassen en gebalsemd. Vroeger werd op die manier het lichaam gezuiverd. Het waswater mocht echter in géén geval op iemand terechtkomen, want men geloofde vroeger dat dat betekende dat deze persoon ook snel zou sterven. Tegenwoordig speelt zulk bijgeloof geen rol meer. Na het wassen wordt het lichaam mooi aangekleed en opgebaard in een gekoelde ruimte waar familie en vrienden een laatste groet aan de overledene kunnen brengen. Dikwijls ligt in dezelfde ruimte ook een rouwregister waarin bijvoorbeeld een boodschap aan de nabestaanden of een herinnering aan de overledene kan worden neergeschreven.

Begraven of cremeren?

In België moet een lichaam binnen de tien dagen na het overlijden begraven of gecremeerd worden. De familieleden hebben met andere woorden niet zo veel tijd om tot een beslissing te komen, althans indien de overledene zijn of haar wensen hieromtrent niet heeft kenbaar gemaakt. Zeer lange tijd was crematie taboe, ondanks wat wordt gezegd op Aswoensdag (wanneer een kruisje op iemands voorhoofd wordt getekend): “Gedenk dat gij uit stof en as geboren zijt en tot stof en as zult wederkeren.” Sinds de tweede helft van de twintigste eeuw echter kiezen steeds meer mensen voor crematie. De as kan worden bewaard in een urne, die ofwel wordt bijgezet in een columbarium ofwel wordt begraven op een begraafplaats. Het is ook mogelijk om de as te laten uitstrooien op een strooiweide of in zee. Sinds 2000 is ook toegelaten dat een nabestaande de urne met de as meeneemt naar huis.

Doodsbrief en rouwadvertentie

Doodsbrieven worden opgesteld en verstuurd om verdere familieleden en vrienden op de hoogte te brengen van iemands overlijden en om hen uit te nodigen om de uitvaartplechtigheid bij te wonen. Een rouwadvertentie in een krant wordt om dezelfde redenen geplaatst. Dit moet allemaal behoorlijk snel na een overlijden geregeld worden, want in België moet een lichaam binnen de tien dagen worden begraven. Het is dus belangrijk dat de doodsbrieven enkele dagen vóór de uitvaartplechtigheid ontvangen worden.

Zowel doodsbrieven als rouwadvertenties zijn meestal erg sober. Soms wordt er een foto van de overledene bijgeplaatst, maar in veel gevallen wordt enkel de naam van de overledene vermeld. Ook de namen van de naaste verwanten worden vermeld, evenals de datum waarop de persoon is overleden en de datum waarop de uitvaartplechtigheid zal plaatshebben. 

De dodenwake

Soms kiezen katholieken ervoor om de avond voor de uitvaartplechtigheid een dodenwake te houden. Familie en vrienden waken dan bij het lichaam of bij een foto van de overledene. Er kan worden gebeden voor de zielenrust van de overledene. Een dodenwake vindt meestal plaats in een kerk of in een (parochie)zaal, maar kan ook georganiseerd worden op de plaats waar bijvoorbeeld iemand in een ongeluk om het leven is gekomen. Tegenwoordig kan een dodenwake ook na een uitvaartplechtigheid plaatshebben. Dit is voornamelijk het geval bij verkeersslachtoffers of bij slachtoffers van zinloos geweld. Er worden dan onder andere bloemen, brieven, foto’s, gedichten en knuffelbeertjes gelegd op de plaats waar iemand om het leven is gekomen. Vaak wordt er op die plek ook een herdenkingsmonument geplaatst. Vooral langs drukke banen zijn er tegenwoordig steeds vaker kruisjes of andere herdenkingsmonumenten te zien. In sommige gevallen, vooral wanneer er sprake is geweest van zinloos geweld, worden er zelfs marsen georganiseerd. Voorbeelden daarvan zijn de Witte Mars in 1996 en de Stille Marsen die al meerdere keren georganiseerd werden.

Kledingsvoorschriften

Vroeger was het gebruikelijk dat de familieleden zwarte kledij droegen gedurende de rouwperiode. Dat werd voornamelijk gedaan omdat zwarte kledij ervoor zou zorgen dat de overledene de nabestaanden niet meer zou herkennen en dus ook niet kon meenemen in de dood. Om die reden droegen veel vrouwen ook een rouwsluier. Tegenwoordig is het dragen van zwarte kledij door de nabestaanden vaak beperkt tot de dag van de uitvaartplechtigheid. Dat wordt dan vooral gedaan omdat het een traditie is en niet meer omwille van het bijgelovige aspect.

De uitvaartplechtigheid

Een christelijke uitvaartplechtigheid vindt doorgaans plaats in een kerk, maar soms kan de locatie ook de aula van een crematorium zijn. Het verloop van een uitvaartplechtigheid kan verschillen naargelang de gewoonten per gemeente of de keuzes van de nabestaanden. Ook is er sowieso een verschil tussen katholieke en protestantse uitvaartplechtigheden. Laatstgenoemden kiezen meestal voor een persoonlijker plechtigheid.

Bij een christelijke uitvaartplechtigheid is het in veel gemeenten zo dat de nabestaanden eerst de kist naar de kerk begeleiden. Vooraleer de kist naar het altaar wordt gedragen, wordt ze besprenkeld met wijwater. De uitvaartplechtigheid zelf is gericht op de reiniging en de rust van de ziel van de overledene enerzijds en op troost voor de nabestaanden anderzijds. Vroeger waren dergelijke plechtigheden erg formeel, maar tegenwoordig zijn ze persoonlijker. De nabestaanden bespreken namelijk op voorhand met de priester of de predikant welke teksten zullen worden voorgelezen en welke muziek er te horen zal zijn. Tijdens de dienst heeft de offergang plaats. Dan wordt iedereen uitgenodigd om naar voor te komen, het kruis van Christus aan te raken en geld in de offerschaal te leggen. Na de offergang kan iedereen te communie komen. Aan het einde van de dienst wordt de kist nogmaals besprenkeld met wijwater en wordt ze tevens bewierookt. Wierook staat symbool voor de band tussen het menselijke en het goddelijke als afweermiddel tegen het kwade. Wanneer de kist de kerk wordt uitgedragen door de kistdragers, kan iedereen de nabestaanden condoleren.

De begrafenis of de crematie

Vroeger werden begraafplaatsen meestal rond de kerk aangelegd (vandaar de benaming “kerkhof”), maar tegenwoordig zijn ze meestal elders in een gemeente gesitueerd. De lijkwagen die de kist naar het kerkhof brengt, wordt gevolgd door de auto’s van familie en vrienden. Als de kerk en de begraafplaats dicht bij elkaar gelegen zijn, komt het nog voor dat de nabestaanden de lijkwagen te voet volgen. Op de begraafplaats wordt een laatste groet gebracht aan de overledene. Vroeger werd de kist in het graf neergelaten in het bijzijn van familie en vrienden, maar tegenwoordig wordt dat pas achteraf gedaan als iedereen vertrokken is. Als de overledene gecremeerd werd, wordt de as uitgestrooid op de strooiweide of in zee of wordt de urne bijgezet in het columbarium. Vandaag de dag komt het ook meer en meer voor dat een urne begraven wordt op een begraafplaats.

Herdenkings- of bidprentje

Oorspronkelijk was een bidprentje donker en somber en was het bedoeld om mensen op te roepen om te bidden voor de zielenrust van de overledene. Er stond dan ook meestal een gebed op. Tegenwoordig zijn bidprentjes eerder herdenkingsprentjes. Dikwijls staat er een foto van de overledene op afgebeeld en een tekst die iets zegt over de persoonlijkheid van de overledene. Een herdenkingsprentje roept met andere woorden niet meer op om te bidden, maar staat volledig in het teken van de herinnering aan de overledene. Op deze manier wordt de nagedachtenis aan de gestorven persoon levendig gehouden.

Koffietafel

Het is de gewoonte dat de naaste familieleden na de begrafenisplechtigheid verdere familieleden en vrienden uitnodigen voor een koffietafel. Familie en vrienden verzamelen zich dan om een broodmaaltijd te nuttigen. Tegenwoordig gebeurt het meer en meer dat er een warme maaltijd wordt aangeboden. De koffietafel na een begrafenis is een manier om samen de overledene te herdenken en om herinneringen uit te wisselen. Het helpt de nabestaanden in het rouw- en het verwerkingsproces.

Rouwjuwelen

Wat voor sommige mensen misschien luguber lijkt, biedt aan andere mensen de mogelijkheid om beter met hun verdriet te kunnen omgaan. Rouwjuwelen zijn bijvoorbeeld hangers of ringen waarin onder andere een haarlok, as of zelfs een tand van de overledene kan worden bewaard. Soms wordt een vingerafdruk of een foto van de overledene afgebeeld op een sierraad. Op deze manier blijft de overledene heel dicht bij een nabestaande.

Collectieve rouw

Bij het overlijden van een hooggeplaatst of bekend persoon is er dikwijls sprake van collectieve rouw. Mensen vinden elkaar in hun verdriet en brengen gezamenlijk een laatste groet uit of brengen een eerbetoon aan de overlede. Het samenhorigheidsgevoel is op zo’n momenten bijzonder groot. Mensen rouwen dan samen en tonen hun medeleven aan de familie en vrienden van de overledene. Soms wordt deze collectieve rouw gecommercialiseerd. Er worden dan souvenirs met een afbeelding van de overleden persoon te koop aangeboden en het kan zelfs gebeuren dat er doodsbrieven en bidprentjes verhandeld worden.

De jaarlijkse herdenking van overledenen

Jaarlijks wordt de sterfdag van een overledene herdacht. Deze herdenking kan gepaard gaan met een ceremonie, maar niet iedereen kiest hiervoor. Bovendien worden op 1 (Allerheiligen) en/of 2 november (Allerzielen) de graven van dierbare overledenen bezocht. Omdat 1 november in België een officiële feestdag is en 2 november niet, worden alle overledenen doorgaans herdacht op Allerheiligen in de plaats van op Allerzielen. De graven worden vooraf schoongemaakt en er worden kaarsen en bloemen op of naast geplaatst. Meestal wordt er gekozen voor witte of gele chrysanten.

LITERATUUR

(s.e.), 'Dood en begrafenis', Ons Heem 53 (1999), nr. 4, p. 208-278.

Bleyen, J., De dood in Vlaanderen: opvattingen en praktijken na 1950, Davidsfonds, Leuven, 2005.

Bockhaven, V. Van, Drempelmomenten. Overgangsrituelen in drie culturen, Huis van Alijn, Gent, 2000.

Bost, F. Van, ‘De bedelingen bij de uitvaartmis in Oost-Vlaanderen (19de –eeuw)’, Oost-Vlaamse Zanten 73 (1998), nr. 1, p. 103-123.

Broeck, A.M. Van, ‘Het Antwerpse “Zuid” tijdens het interbellum. Liefde en huwelijk, geboorte en doop, dood en begrafenis’, Volkskunde 94 (1993), nr. 1, p. 165-192.

Callewaert, D., ‘Overlijden en afscheid in het Brugse 1900-2000’, Volkskunde 101 (2000), nr. 3, p. 201-255.

Dezutter, W.P., ‘Het dragen van rouwkleding in Vlaanderen. De rouwplicht als commerciële aanbeveling 1900-1945’, Oost-Vlaamse Zanten 74 (1999), nr. 4, p. 345-350.

Eeden, E. van, Het kleine boekje van de dood: tradities en gebruiken rond het sterven, Forum, Amsterdam, 1997.

Fossaert, L., 'Ten dode opgeschreven', Mengelmaren 3 (1995), 3, p. 42-58.

Germonpré, E., ‘De levenscyclus in Oostduinkerke tijdens het interbellum. Deel 3: Dood en begrafenis’, Volkskunde 94 (1993), nr. 3, p. 299-317.

Haneveld, G.T., Zandloper, zeis en pierlala. Symbolen van de dood in (volks)kunst en cultuur, TDS, Utrecht, 1995.

Lauvrijs, B., Een wereld vol bijgeloof. Van abracadabra tot de zwarte kat, Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 2007, p. 387-402.

Leijssen, L., Bleyen, J., Dobbelaere, K., en L. Voyé (red.), Dood en begrafenis. Levensrituelen, Universitaire Pers, Leuven, 2007. (KADOC-Studies 31)

Mertens, R., ‘Gebruiken bij dood en begrafenis in West-Brabant’, in: A. Roeck, J. Theuwissen, S. Top en S. Van den Eijnde (red.), Liber Amicorum Jozef Van Haver, Vonksteen, Langemark, 1991, p. 245-261.

Nijssen, J., ‘De oudste stenen grafkruisen van het Maasland’, in: A. Roeck, J. Theuwissen, S. Top en S. Van den Eijnde (red.), Liber Amicorum Jozef Van Haver, Vonksteen, Langemark, 1991, p. 263-273.

Theuwissen, J. en S. Top (red.), ‘Aspecten van de dood in het volksleven’, Volkskunde 91 (1990), nr. 3, p. 149-254.

Tiemersma, D., De vele gezichten van de dood: voorstellingen en rituelen in verschillende culturen, Lemniscaat, Rotterdam, 1996. 

Vanheeswijck, J, e.a., Religie en de dood. Momentopnamen uit de geschiedenis van de westerse omgang met de dood, Pelckmans, Kapellen, 2004. (Religie heen/terug) 

Vanpée, D.J.B., Tussen moment en monument voor de eeuwigheid… Gietijzeren grafkruisen in Vlaams-Brabant, Verbond voor Heemkunde, ’s-Gravenwezel, 1996.

Veraverbeke, E., Verlinde, A., en I. Van de Velde, Rituelen in beweging, Huis van Alijn, Gent, 2000.

Zeijden, A. van der, Rouw en rustplaats. Over de dood, Waanders Uitgevers, Zwolle, 2009. (het Alledaagse leven. Tradities & trends in Nederland 5)